toevallen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • toe·val·len
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
toevallen
viel toe
toegevallen
klasse 7 volledig

Werkwoord

toevallen [1]

  1. onovergankelijk bedeeld worden met, ten deel vallen, ontvangen, krijgen
     Want ik was niet naar Grand Hotel Europa gekomen om de tijd weemoedig te laten verglijden te midden van afgebladderde luxe en krakende glorie in passieve afwachting van een of ander inzicht, dat mij op een gegeven moment zou toevallen als een bloemblad uit een vergeeld boeket. Dat inzicht wilde ik afdwingen en daarom moest ik aan het werk.[2]
  2. onovergankelijk dichtvallen
    • Het kindje had slaap en zijn oogjes vielen toe 
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen

Zelfstandig naamwoord

toevallen mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord toeval

Gangbaarheid

96 % van de Nederlanders;
89 % van de Vlamingen.[3]

Verwijzingen