toevallen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • toe·val·len
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
toevallen
viel toe
toegevallen
klasse 7 volledig

Werkwoord

toevallen [1]

  1. onovergankelijk bedeeld worden met, ten deel vallen
  2. onovergankelijk dichtvallen
    • Het kindje had slaap en zijn oogjes vielen toe 
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Zelfstandig naamwoord

toevallen mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord toeval

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
92 % van de Vlamingen.

Verwijzingen