stijf

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • stijf
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘moeilijk buigbaar’ voor het eerst aangetroffen in 1240 [1] [2]
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen stijf stijver stijfst
verbogen stijve stijvere stijfste
partitief stijfs stijvers -

Bijvoeglijk naamwoord

stijf

  1. niet gemakkelijk te vervormen of te buigen
    • Een stalen balk is stijf genoeg om dit gewicht te dragen. 
     Het was fascinerend om te zien hoeveel zout ik verloor: na dagen zonder douche stond mijn shirt stijf van de zoute strepen en bleef het bijna rechtop staan.[3]
     Soms kwam ik na mijn werk thuis met een stijve kaak van het praten.[3]
  2. ongemakkelijk in de omgang
    • Hij is zo stijf als een hark! 
Synoniemen
Antoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
stijven

stijf

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van stijven
    • Ik stijf. 
  2. gebiedende wijs van stijven
    • Stijf! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van stijven
    • Stijf je? 

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[4]

Verwijzingen