volkomen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak

(klemtoonhomogram)

Woordafbreking
  • vol·ko·men
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen volkomen volkomener volkomenst
verbogen volkomenste
partitief volkomens volkomeners -

Bijvoeglijk naamwoord

volkómen [2]

  1. zonder dat er iets aan ontbreekt
    • Bestaat er volkomen stilte, of hoor je altijd wel wat, bijvoorbeeld je hartslag?. 
Antoniemen
Afgeleide begrippen

Bijwoord

volkómen

  1. geheel en al
    • Dat was volkomen onaanvaardbaar. 
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
volkomen
/vɔlˈkomə(n)/
volkwam
/vɔlˈkwɑm/
volkomen
/vɔlˈkomə(n)/
klasse 4 volledig

Werkwoord

volkómen

  1. (verouderd) iets doen tot het bedoelde resultaat helemaal is bereikt
    • Volkomt deze aan de laatste bepaling niet, dan kan de prijs hem geweigerd worden. [3]
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
volkomen
/ˈvɔlkomə(n)/
kwam vol
/kwɑm ˈvɔl/
volgekomen
/vɔlɣəˈkomə(n)/
klasse 4 volledig

Werkwoord

vólkomen [4]

  1. ergatief geheel gevuld geraken
    • Met als gevolg dat de woningen die Lelystad nog steeds aan het bouwen was, niet meer volkwamen. 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. etymologiebank.nl
  2. Woordenboek der Nederlandse taal
  3. Potter, F. de Zitting van 18 Februari 1887." verslag in: Verslagen en mededelingen van de Koninklijke Vlaamse Academie voor Taal- en Letterkunde. nr. 1 (1887) Koninklijke Vlaamsche Academie voor Taal- en Letterkunde, Gent; p. 26; geraadpleegd 2015-08-03
  4. Woordenboek der Nederlandse taal