volkomen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak

(klemtoonhomogram)

Woordafbreking
  • vol·ko·men
Woordherkomst en -opbouw
  • Samenstelling van komen met het voorvoegsel vol-
stellend
onverbogen volkomen
verbogen volkomen

Bijvoeglijk naamwoord

volkómen

  1. zonder dat er iets aan ontbreekt
    Bestaat er volkomen stilte, of hoor je altijd wel wat, bijvoorbeeld je hartslag?.

Bijwoord

volkómen

  1. geheel en al
    Dat was volkomen onaanvaardbaar.
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
volkomen
kwam vol
volgekomen
klasse 4 volledig

Werkwoord

vólkomen

  1. (ergatief) geheel gevuld geraken
    Met als gevolg dat de woningen die Lelystad nog steeds aan het bouwen was, niet meer volkwamen.