spijt

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Jump to search

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • spijt
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘berouw’ voor het eerst aangetroffen in 1436 [1] [2] [3]
enkelvoud meervoud
naamwoord spijt -
verkleinwoord spijtje spijtjes

Zelfstandig naamwoord

spijt v/m

  1. ~ hebben over de wens koesteren een gemaakte keuze nog te kunnen veranderen
    • Ik heb er spijt over weggegaan te zijn. 
  2. ten ~ ondanks
    • Het slechte weer ten spijt is hij toch gekomen. 
Verwante begrippen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • spijt betuigen
Vertalingen

Voorzetsel

spijt (+ genitief)

  1. (verouderd) ondanks
    • Hij is spijt dezes toch gekomen. 

Werkwoord

vervoeging van
spijten

spijt

  1. onpersoonlijke tegenwoordige tijd van spijten

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

Meer informatie