berouw

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·rouw
enkelvoud meervoud
naamwoord berouw -
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

berouw o

  1. het betreuren van een eerdere kwalijke daad, spijt, schuldgevoel
    Japanse premier spreekt berouw uit over leed WOII [1]
Verwante begrippen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • Berouw komt na de zonde
als het eenmaal gebeurd is komt pas de berouw
  • Berouw komt steeds te laat
als het eenmaal gebeurd is komt pas de berouw
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
berouwen

berouw

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van zich berouwen
    Ik berouw me.
  2. gebiedende wijs van zich berouwen
    Berouw je!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van zich berouwen
    Berouw je je?

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
98 % van de Vlamingen.
Verwijzingen
  1. www.nu.nl