Naar inhoud springen

berouw

Uit WikiWoordenboek
  • be·rouw
enkelvoud meervoud
naamwoord berouw -
verkleinwoord

hetberouwo

  1. het betreuren van een eerdere kwalijke daad, spijt, schuldgevoel
     'Wat wil je nu eigenlijk zeggen, Hannah met een h? Jezus, als ik je beledigd heb op wat voor manier dan ook, sorry!' Er klinkt geen enkel spoortje berouw in haar zogenaamde spijtbetuiging.[3]
  • Berouw komt na de zonde
als het eenmaal gebeurd is komt pas de berouw
  • Berouw komt steeds te laat
als het eenmaal gebeurd is komt pas de berouw
vervoeging van
berouwen

berouw

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van zich berouwen
    • Ik berouw me. 
  2. gebiedende wijs van zich berouwen
    • Berouw je! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van zich berouwen
    • Berouw je je? 
99 %van de Nederlanders;
97 %van de Vlamingen.[4]
  1. berouw op website: Etymologiebank.nl
  2. www.nu.nl
  3. Marion Pauw e.a.
    “4 wandelaars en een Siciliaan” (2022), The House of Books, ISBN 9789044363340
  4. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be