spijten

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • spij·ten
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
spijten
speet
gespeten
klasse 1 volledig

Werkwoord

spijten

  1. onpersoonlijk berouw veroorzaken
    • Het speet hem dat hij de verjaardag van zijn vrouw niet bij kon wonen. 
  2. overgankelijk (verouderd) ergernis bezorgen, boos of verdrietig maken
     Mijne stellige weigering en de begeesterde woorden, welke ik ertoe bezigde, schenen hem te spijten; (…)[3]
Vertalingen

Gangbaarheid

88 % van de Nederlanders;
86 % van de Vlamingen.[4]

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. spijten op website: Etymologiebank.nl
  3. Bronlink geraadpleegd op 18 maart 2021 Weblink bron Hendrik Conscience op Wikipedia “Volledige werken 30. Geschiedenis mijner jeugd. Wat eene moeder lijden kan. Redevoeringen.” ([1912]), J. Lebègue, Brussel, p. 257
  4. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be