spijten

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • spij·ten
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
spijten
speet
gespeten
klasse 1 volledig

Werkwoord

spijten

  1. onpersoonlijk ergens berouw van hebben
    • Het speet hem dat hij de verjaardag van zijn vrouw niet bij kon wonen. 
Vertalingen

Gangbaarheid

88 % van de Nederlanders;
86 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be