spijten

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • spij·ten
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
spijten
speet
gespeten
klasse 1 volledig

Werkwoord

spijten

  1. (onpersoonlijk) ergens berouw van hebben
    Het speet hem dat hij de verjaardag van zijn vrouw niet bij kon wonen.
Vertalingen