skip

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • skip
Woordherkomst en -opbouw
  • van het Engels [1]

Werkwoord

vervoeging van
skippen

skip

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van skippen
    • Ik skip. 
  2. gebiedende wijs van skippen
    • Skip! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van skippen
    • Skip je? 

Gangbaarheid

Verwijzingen


Engels

Uitspraak
vervoeging
onbepaalde wijs to skip
he/she/it skips
verleden tijd skipped
voltooid
deelwoord
skipped
onvoltooid
deelwoord
skipping
gebiedende wijs skip

Werkwoord

skip

  1. overslaan
  2. huppelen
  3. ketsen
    «The stone skipped a few times over the surface of the pond before it sank.»
    De steen ketste een paar keer over het oppervlak van de plas alvorens te zinken.
  4. keilen, doen ketsen
    «He skipped the stone over the surface of the pond.»
    Hij keilde de steen over het oppervlak van de plas.


Faeröers

Uitspraak
  • IPA: / ʃiːp /
Woordherkomst en -opbouw

Zelfstandig naamwoord

skip o

  1. schip


IJslands

Uitspraak
  • IPA: / skɪːp /
Woordherkomst en -opbouw
  • Afkomstig van het Oudnoordse zelfstandige naamwoord skip (= uitgeholde boomstam)
  enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief   skip     skipið     skip     skipin  
genitief   skips     skipsins     skipa     skipanna  
datief   skipi     skipinu     skipum     skipunum  
accusatief   skip     skipið     skip     skipin  

Zelfstandig naamwoord

skip o

  1. schip



Noors

Uitspraak
Woordherkomst en -opbouw
  • [A]: Afkomstig van het Oudnooordse zelfstandige naamwoord skip (= uitgeholde boomstam)
  • [B]: Afkomstig van het Engelse zelfstandige naamwoord skipper (= aanvoerder).
Naar frequentie 1034
  enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief   skip     skipet     skip     skipa
skipene  
genitief   skips     skipets     skips     skipas
skipenes  

Zelfstandig naamwoord

[A] skip o

  1. (scheepvaart) schip
  2. (scheepvaart) een deel van een schip, bijv. een akterskip (achterschip) of forskip (voorschip)
  3. (luchtvaart) een luchtvaartuig in de vorm van een schip in het woord luftskip (luchtschip)
  4. (bouwkunde) een deel van een kerk, bijv. een kirkeskip (beuk)
Afgeleide begrippen

Zelfstandig naamwoord

skip, mv

  1. onbepaalde vorm nominatief meervoud van skip
  enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief   skip     skipen     skiper     skipene  
genitief   skips     skipens     skipers     skipenes  

Zelfstandig naamwoord

[B] skip m

  1. (sport) de aanvoerder bij het ijsstokschieten
Schrijfwijzen


Nynorsk

Uitspraak
Woordherkomst en -opbouw
  • [A]: Afkomstig van het Oudnooordse zelfstandige naamwoord skip (= uitgeholde boomstam)
  • [B]: Afkomstig van het Engelse zelfstandige naamwoord skipper (= aanvoerder).
  enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief   skip     skipet     skip     skipa  

Zelfstandig naamwoord

[A] skip o

  1. (scheepvaart) schip
  2. (scheepvaart) een deel van een schip, bijv. een akterskip (achterschip) of forskip (voorschip)
  3. (luchtvaart) een luchtvaartuig in de vorm van een schip in het woord luftskip (luchtschip)
  4. (bouwkunde) een deel van een kerk, bijv. een kyrkjeskip (beuk)
Afgeleide begrippen

Zelfstandig naamwoord

skip, mv

  1. onbepaalde vorm nominatief meervoud van skip
  enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief   skip     skipen     skipar     skipane  

Zelfstandig naamwoord

[B] skip m

  1. (sport) de aanvoerder bij het ijsstokschieten
Schrijfwijzen


Oudnoords

Uitspraak
  • IPA: / ʃiːp /
Woordherkomst en -opbouw

Zelfstandig naamwoord

skip o

  1. schip