skippen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • skip·pen
Woordherkomst en -opbouw

Werkwoord

skippen

stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
skippen
skipte
geskipt
zwak -t volledig
  1. overslaan, iets niet doen
    • De hoofdstukken 5 t/m 10 kun je skippen. 
  2. niet naar school gaan terwijl dit wil moet, spijbelen
    • Hij skipt de lessen van de maandagochtend. 

Gangbaarheid

95 % van de Nederlanders;
89 % van de Vlamingen.

Meer informatie