shit

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • shit
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Engels, op zijn beurt een leenvertaling uit het Duits.
enkelvoud meervoud
naamwoord shit -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

shit m

  1. (vulgair) rommel, ellende, iets onaangenaams
    Wat voor shit is dat nou weer!

Tussenwerpsel

shit

  1. (vulgair) een uitroep van ergernis
    Shit! Ik heb een onvoldoende!

shit, shit, shit

  1. (vulgair) een uitroep van ergernis en frustratie als iets helemaal misgaat
    De ambtenarij wilde nog net niet bepalen welke plantjes we straks wel en welke plantjes we straks niet in de vensterbank mogen plaatsen. Kortom, shit, shit, shit![1]
Opmerkingen
  • Als "shit" wordt herhaald, wordt het als regel minstens drie keer achtereen uitgeroepen. Het komt voor dat "shit" nog vaker wordt herhaald.
Verwijzingen
  1. Dam, W. van Shit, shit, shit! (29 september 2016) op website Provinciale Zeeuwse Courant: pzc.nl; geraadpleegd 2016-11-12

Meer informatie