shit

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • shit
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Engels, in de betekenis van ‘rotzooi, onzin, ook tussenwerpsel: uitroep van ergernis’ voor het eerst aangetroffen in 1964 [1]
  • Leenwoord uit het Engels, op zijn beurt een leenvertaling uit het Duits.
enkelvoud meervoud
naamwoord shit -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

shit m

  1. (vulgair) rommel, ellende, iets onaangenaams
    • Wat voor shit is dat nou weer! 

Tussenwerpsel

shit

  1. (vulgair) een uitroep van ergernis
    • Shit! Ik heb een onvoldoende! 

shit, shit, shit

  1. (vulgair) een uitroep van ergernis en frustratie als iets helemaal misgaat
    • De ambtenarij wilde nog net niet bepalen welke plantjes we straks wel en welke plantjes we straks niet in de vensterbank mogen plaatsen. Kortom, shit, shit, shit! [2]
Opmerkingen
  • Als "shit" wordt herhaald, wordt het als regel minstens drie keer achtereen uitgeroepen. Het komt voor dat "shit" nog vaker wordt herhaald.

Gangbaarheid

97 % van de Nederlanders
87 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen


Frans

Uitspraak

Zelfstandig naamwoord

shit m

  1. (spreektaal) hasj, stuff
    «Ici le premier bizness c’est le shit
    Hier is hasj de belangrijkste business. [1]

Verwijzingen