receptor

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • re·cep·tor
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord receptor receptoren
receptors
verkleinwoord receptortje receptortjes

Zelfstandig naamwoord

receptor m

  1. (biochemie), (medisch), (natuurkunde) bestanddeel dat gevoelig is voor prikkels
  2. eiwit in het celmembraan, het cytoplasma of de celkern, waaraan een specifiek molecuul kan binden
Synoniemen
Antoniemen
Hyponiemen
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

92 % van de Nederlanders
97 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen