pluis

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken
Katoenpluizen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • pluis
enkelvoud meervoud
naamwoord pluis pluizen
verkleinwoord pluisje pluisjes

Zelfstandig naamwoord

pluis v/m

  1. een hoopje droge, lichte stof met een open structuur
    Een trui vol pluizen.
Synoniemen
Verwante begrippen

stellend vergrotend overtreffend
onverbogen pluis - -
verbogen - - -

Bijvoeglijk naamwoord

pluis

  1. het deugt er, in orde, naar behoren. Het gebruik is beperkt tot de negatieve zin “niet pluis”
    "Wat doen ze daar geheimzinnig, dat is vast niet pluis."
Synoniemen

Woordafbreking
  • pluis

Werkwoord

vervoeging van
pluizen

pluis

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van pluizen
    Ik pluis.
  2. gebiedende wijs van pluizen
    Pluis!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van pluizen
    Pluis je?
Vertalingen
Verwijzingen