pluis

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken
Katoenpluizen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • pluis
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord pluis pluizen
verkleinwoord pluisje pluisjes

Zelfstandig naamwoord

pluis v/m

  1. een hoopje droge, lichte stof met een open structuur
    • Een trui vol pluizen. 
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen

Woordherkomst en -opbouw
stellend
onverbogen pluis
verbogen -

Bijvoeglijk naamwoord

pluis

  1. het deugt er, in orde, naar behoren. Het gebruik is beperkt tot de negatieve zin “niet pluis”
    • "Wat doen ze daar geheimzinnig, dat is vast niet pluis." 
Synoniemen

Woordafbreking
  • pluis

Werkwoord

vervoeging van
pluizen

pluis

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van pluizen
    • Ik pluis. 
  2. gebiedende wijs van pluizen
    • Pluis! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van pluizen
    • Pluis je? 
Vertalingen



Verwijzingen

  1. etymologiebank.nl
  2. etymologiebank.nl

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie