pluizen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • plui·zen
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
pluizen
pluisde
gepluisd
zwak -d volledig
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
pluizen
ploos
geplozen
klasse 2 volledig

Werkwoord

pluizen [2] [3]

  1. (overgankelijk) in vlokken uiteentrekken
    Fransje Goldeweijn keek over haar altijd nijvere bezige handen, welke onafgebroken pluksel plozen, met haar bedriegelijk helder, half blinde oog, haar bezoekster aan.[4]
Hyponiemen
Afgeleide begrippen

Zelfstandig naamwoord

pluizen mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord pluis
Verwijzingen
  1. etymologiebank.nl
  2. Woordenboek der Nederlandse taal
  3. Woordenboek der Nederlandse taal
  4. De klop op de deur, Ina Boudier-Bakker