pluizen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • plui·zen
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
pluizen
pluisde
gepluisd
zwak -d volledig
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
pluizen
ploos
geplozen
klasse 2 volledig

Werkwoord

pluizen [2] [3]

  1. (overgankelijk) in vlokken uiteentrekken
    Fransje Goldeweijn keek over haar altijd nijvere bezige handen, welke onafgebroken pluksel plozen, met haar bedriegelijk helder, half blinde oog, haar bezoekster aan.[4]
Hyponiemen
Afgeleide begrippen

Zelfstandig naamwoord

pluizen mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord pluis

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.
Verwijzingen
  1. etymologiebank.nl
  2. Woordenboek der Nederlandse taal
  3. Woordenboek der Nederlandse taal
  4. De klop op de deur, Ina Boudier-Bakker