pluizen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • plui·zen
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
pluizen
ploos
geplozen
klasse 2 volledig

Werkwoord

pluizen

  1. (overgankelijk) in vlokken uiteentrekken
    Fransje Goldeweijn keek over haar altijd nijvere bezige handen, welke onafgebroken pluksel plozen, met haar bedriegelijk helder, half blinde oog, haar bezoekster aan.[1]
Afgeleide begrippen
Verwijzingen
  1. De klop op de deur
    Ina Boudier-Bakker

Zelfstandig naamwoord

pluizen mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord pluis