Naar inhoud springen

nop

Uit WikiWoordenboek
  • nop
enkelvoud meervoud
naamwoord nop noppen
verkleinwoord nopje nopjes

denopv/m

  1. een niet puntig uitsteeksel
    • Op de vloer met nop glij je minder makkelijk uit. 
    • Door de noppen op de voetbalschoen glijden de spelers niet uit op het gras. 

nop

  1. helemaal niets
    • Doordat hij enorme reiskosten had, heeft hij eigenlijk voor nop gewerkt. 
vervoeging van
noppen

nop

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van noppen
    • Ik nop. 
  2. gebiedende wijs van noppen
    • Nop! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van noppen
    • Nop je? 
92 %van de Nederlanders;
69 %van de Vlamingen.[7]