nop
Uiterlijk
- nop
- zn: van Middelnederlands noppe, in de betekenis van ‘knoop, propje’ aangetroffen vanaf 1252 [1] [2] [3]
- vn: (verkorting) van noppes [4] [5] [6]
- ww: noppen ww zonder de uitgang -en
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | nop | noppen |
| verkleinwoord | nopje | nopjes |
- een niet puntig uitsteeksel
- Op de vloer met nop glij je minder makkelijk uit.
- Door de noppen op de voetbalschoen glijden de spelers niet uit op het gras.
nop
- helemaal niets
- Doordat hij enorme reiskosten had, heeft hij eigenlijk voor nop gewerkt.
- noppes (uitspraakvariant)
| vervoeging van |
|---|
| noppen |
nop
- Het woord nop staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- In onderzoek uit 2013 van het Centrum voor Leesonderzoek werd "nop" herkend door:
| 92 % | van de Nederlanders; |
| 69 % | van de Vlamingen.[7] |
- ↑ Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
- ↑ nop (knoop, propje) op website: Etymologiebank.nl
- ↑ "nop" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
- ↑ Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
- ↑ Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
- ↑ nop (niets) op website: Etymologiebank.nl
- ↑
Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be
Categorieën:
- Woorden in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands van lengte 3
- Woorden in het Nederlands met audioweergave
- Woorden met 1 lettergreep in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands met IPA-weergave
- Verkorting in het Nederlands
- Zelfstandig naamwoord in het Nederlands
- Onbepaald voornaamwoord in het Nederlands
- Werkwoordsvorm in het Nederlands
- Woordenlijst Nederlandse Taal
- Prevalentie Nederland 92 %
- Prevalentie Vlaanderen 69 %