stofwolk

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • stof·wolk
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord stofwolk stofwolken
verkleinwoord stofwolkje stofwolkjes

Zelfstandig naamwoord

stofwolk v/m

  1. een hoeveelheid opgejaagd stof
    • De snelle sportauto liet een grote stofwolk achter toen hij over de zandweg reed. 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.