veilig

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • vei·lig
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen veilig veiliger veiligst
verbogen veilige veiligere veiligste
partitief veiligs veiligers -

Bijvoeglijk naamwoord

veilig

  1. niet aan gevaar blootstaand
    • Na een spannende reis was hij thuis weer in een veilige omgeving. 
Antoniemen
Uitdrukkingen en gezegden
  • veilig en lekker gemakkelijk
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen