pita

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • pi·ta
enkelvoud meervoud
naamwoord pita pita's
verkleinwoord pitaatje pitaatjes

Zelfstandig naamwoord

pita m [1]

  1. (voeding) pitabroodje
Afgeleide begrippen

Gangbaarheid

90 % van de Nederlanders;
95 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen


Spaans

Werkwoord

vervoeging van
pitar

pita

  1. derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd (presente) van pitar
  2. gebiedende wijs (bevestigend) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd (presente) van pitar