pita

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • pi·ta
enkelvoud meervoud
naamwoord pita pita's
verkleinwoord pitaatje pitaatjes

Zelfstandig naamwoord

pita m [1]

  1. (voeding) pitabroodje
Afgeleide begrippen

Gangbaarheid

88 % van de Nederlanders;
94 % van de Vlamingen.[2]

Meer informatie

Verwijzingen


Nedersorbisch

Uitspraak

Bijvoeglijk naamwoord

pita

  1. nominatief vrouwelijk enkelvoud van pity


Pools

Uitspraak

Zelfstandig naamwoord

pita v

  1. (voeding) pita, pitabroodje; een plat broodje met een zachte korst
Hyperoniemen

Meer informatie

Bijvoeglijk naamwoord

pita

  1. nominatief vrouwelijk enkelvoud van pity
  2. vocatief vrouwelijk enkelvoud van pity


Spaans

Werkwoord

vervoeging van
pitar

pita

  1. derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd (presente) van pitar
  2. gebiedende wijs (bevestigend) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd (presente) van pitar


Tsjechisch

Uitspraak
Woordafbreking
  • pi·ta

Zelfstandig naamwoord

pita v

  1. (voeding) pita, pitabroodje; een plat broodje met een zachte korst
  2. (vogels) pitta; een vogel in de onderorde schreeuwvogels
  3. sisal; vezels van de Agave
Verbuiging
Schrijfwijzen
  1. pite v
Hyperoniemen
  1. chléb monbezield
  2. pták mbezield
  3. vlákno o
Typische woordcombinaties

Meer informatie

Verwijzingen

Werkwoord

pita

  1. vrouwelijk enkelvoud passief deelwoord van het imperfectieve werkwoord pít
  2. onzijdig meervoud passief deelwoord van het imperfectieve werkwoord pít