piraat

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • pi·raat
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘zeerover’ voor het eerst aangetroffen in 1562 [1]
  • [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord piraat piraten
verkleinwoord piraatje piraatjes

Zelfstandig naamwoord

piraat m

  1. iemand die op zee schepen kaapt
    • In Somalië is een nieuwe generatie piraten aan het kapen geslagen. 
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen