peuter

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • peu·ter
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘klein kind’ voor het eerst aangetroffen in 1889 [1]
  • [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord peuter peuters
verkleinwoord peutertje peutertjes

Zelfstandig naamwoord

peuter m

  1. een jong kind in de leeftijd van één tot vier jaar
    • De peuter brabbelde de hele dag door. 
  2. persoon die peutert, peuteraar
Hyperoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
peuteren

peuter

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van peuteren
    • Ik peuter. 
  2. gebiedende wijs van peuteren
    • Peuter! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van peuteren
    • Peuter je? 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen