papaja

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Carica papaya
Uitspraak
Woordafbreking
  • pa·pa·ja
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Spaans, in de betekenis van ‘vrucht’ voor het eerst aangetroffen in 1596 [1] [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord papaja papaja's
verkleinwoord papajaatje papajaatjes

Zelfstandig naamwoord

papaja m

  1. (voeding) (fruit) bepaalde meloenachtige tropische vrucht
  2. (plantkunde) Carica papaya op Wikispecies meloenboom
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

91 % van de Nederlanders;
87 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen