pantser

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • pant·ser
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord pantser pantsers
verkleinwoord pantsertje pantsertjes

Zelfstandig naamwoord

pantser o [2]

  1. een beschermende laag om dieren of voorwerpen, een soort harnas
    • Door zijn pantser was de ridder nog in leven na de klap met het zwaard. 
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
pantseren

pantser

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van pantseren
    • Ik pantser. 
  2. gebiedende wijs van pantseren
    • Pantser! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van pantseren
    • Pantser je? 

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

  1. etymologiebank.nl
  2. Woordenboek der Nederlandse taal