pantseren

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • pant·se·ren
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
pantseren
pantserde
gepantserd
zwak -d volledig

Werkwoord

pantseren

  1. overgankelijk met een pantser bekleden
    • De president rijdt met een gepansterde limousine. 
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

96 % van de Nederlanders;
94 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be