franchir

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Frans

Uitspraak
Woordherkomst en -opbouw
Woordafbreking
  • fran·chir
stamtijd
infinitief verleden
tijd
voltooid
deelwoord
franchir
/fʁɑ̃ʃiʁ/
franchissais
/fʁɑ̃ʃisɛ/
franchi
/fʁɑ̃ʃi/
tweede groep volledig

Werkwoord

franchir

  1. overgankelijk overbruggen, passeren, overgaan (een brug, muur, barrière, e.d.)
  2. overgankelijk oversteken (een rivier, e.d.)
  3. overgankelijk overwinnen (een moeilijkheid, obstakel, e.d.)
  4. overgankelijk overschrijden (een grens, drempel(waarde))

Verwijzingen

  1. Bronlink Weblink bron franchir in: Trésor de la Langue Française informatisé (TLFi), Dictionnaire de l’Académie française, huitième édition, 1932-1935 op cnrtl.fr