orgel

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Het orgel in de domkerk van Århus

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • or·gel
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘toetsinstrument’ voor het eerst aangetroffen in 1350 [1]
  • [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord orgel orgels
verkleinwoord orgeltje orgeltjes

Zelfstandig naamwoord

orgel o

  1. (muziekinstrument) een muziekinstrument dat bestaat uit meerdere losse pijpen waardoor lucht stroomt op een labium en dat ingedeeld wordt bij de aerofonen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[3]

Meer informatie

Verwijzingen


Deens

Uitspraak
Naar frequentie 33274
  enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief   orgel     orgelet
orglet  
  orgler     orglerne  
genitief   orgels     orgelets
orglets  
  orglers     orglernes  

Zelfstandig naamwoord

orgel, o

  1. (muziekinstrument) orgel



Noors

Uitspraak
Naar frequentie 46151
  enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief   orgel     orgelet
orglet  
  orgel
orgler  
  orgla
orglene  
genitief   orgels     orgelets
orglets  
  orgels
orglers  
  orglas
orglenes  

Zelfstandig naamwoord

orgel o

  1. (muziekinstrument) orgel

Zelfstandig naamwoord

orgel

  1. nominatief onbepaald onzijdig meervoud van orgel
Schrijfwijzen



Nynorsk

Uitspraak
  enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief   orgel     orgelet     orgel     orgla  

Zelfstandig naamwoord

o

orgel

  1. (muziekinstrument) orgel

Zelfstandig naamwoord

orgel

  1. nominatief onbepaald onzijdig meervoud van orgel


Zweeds

Uitspraak
Naar frequentie 29244
  enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief   orgel     orgeln     orglar     orglarna  
genitief   orgels     orgelns     orglars     orglarnas  

Zelfstandig naamwoord

orgel g

  1. (muziekinstrument) orgel
Meroniemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen