bliksem

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Bliksem.

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • blik·sem
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘elektrische vonk bij onweer’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 901 [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord bliksem bliksems
verkleinwoord bliksempje bliksempjes

Zelfstandig naamwoord

bliksem m

  1. (meteorologie) (elektrotechniek) lichtgevende stralen die uit de hemel barsten bij onweer ten gevolge van een elektrische ontlading
    • De bliksem zette de boerderij in brand. 
     De hele dag was het vriendelijk en rustig weer geweest, maar nu kwam er vanaf de andere kant van de berg een zwaar onweer op me af dat om de paar seconden fel oplichtte. Bliksem en storm.[2]
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
bliksemen

bliksem

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bliksemen
    • Ik bliksem. 
  2. gebiedende wijs van bliksemen
    • Bliksem! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bliksemen
    • Bliksem je? 

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[3]

Meer informatie

Verwijzingen