bliksem

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken
Bliksem.

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • blik·sem
enkelvoud meervoud
naamwoord bliksem bliksems
verkleinwoord bliksempje bliksempjes

Zelfstandig naamwoord

bliksem m

  1. (meteorologie) (elektrotechniek) lichtgevende stralen die uit de hemel barsten bij onweer ten gevolge van een elektrische ontlading
    • De bliksem zette de boerderij in brand. 
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Werkwoord

vervoeging van
bliksemen

bliksem

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bliksemen
    • Ik bliksem. 
  2. gebiedende wijs van bliksemen
    • Bliksem! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bliksemen
    • Bliksem je?