negativiteit

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ne·ga·ti·vi·teit
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord negativiteit negativiteiten
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

negativiteit v [1]

  1. een manier van doen waarbij alles in het slechte, rampzalige en droevige wordt voorgesteld
    • ,,Waar we veel last van hebben is dat we oordelen over onszelf en soms hebben we negatieve oordelen over anderen. Spreek nu eens alles uit waar je je negatief over voelt. Maak van die woorden een zin en overdrijf. En die zin spreek je op zoveel mogelijk manieren uit. Van rap tot opera. Bij ‘venting’ geef je uiting aan negativiteit in een humorvolle overdrijving." [2] 
    • Onbelangrijke zaken elimineer ik. Zoals radio, tv en kranten. Dat doe ik al drie jaar. Toen ik een tijdje terug een krant zag met de kop ‘golf van criminaliteit overspoelt Amsterdam’. Ik kreeg echt het gevoel alsof ik elk moment overvallen zou kunnen worden. Daarom lees ik dus geen nieuws meer. Wat een negativiteit. Ik gebruik mijn tijd veel liever voor persoonlijke ontwikkeling, sporten of in de natuur zijn.” [3] 
    • Een lompe werkmail krijgen is niet alleen irritant, maar ook nog eens slecht voor de verhoudingen thuis. Werknemers nemen de negativiteit van dit soort berichten mee naar huis en belasten er ook hun partner mee, zo blijkt uit onderzoek. [4] 
Synoniemen
Antoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid


Verwijzingen