moord

Uit WikiWoordenboek

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • moord
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord moord moorden
verkleinwoord moordje moordjes

Zelfstandig naamwoord

moord v / m

  1. (pejoratief) handeling met het doel en het gevolg dat iemand dood gaat
     De moord van Kaïn op Abel was een gebeurtenis die het begin van het menselijk lijden inluidde, nadat hun ouders door het proeven van de verboden vrucht de zonde in de wereld hadden gebracht.[4]
    1. (juridisch) opzettelijk en met voorbedachten rade een ander van het leven beroven
       Antonio zit een gevangenisstraf uit van 24 jaar voor de moord op zijn jeugdvriend Guido.[5]
       Voor moord, waarbij ‘voorbedachte rade’ is vereist, kan levenslang worden gegeven. Voor doodslag, een handeling ‘in opwelling’, maximaal vijftien jaar.[6]
    2. versterkend voorvoegsel (jongerentaal) als eerste deel van een samengesteld zelfstandig naamwoord drukt uit dat het om een buitengewoon gewaardeerd voorbeeld gaat van wat het tweede deel aanduidt
       Abbie had het lamé over haar arm gedrapeerd, de zilveren stof viel in plooien neer. 'Prachtig, Reina. Lieve hemel, wat kan je daar een moordjurk van maken!'[7]
       Een voortreffelijk voorwendsel om je met die moordwagen van mammoeschka een liftje te geven, goed dat je hier naartoe bent komen wandelen.[8]
       'Dat moet nogal een vrouw zijn.' 'O, meneer Jake, het is een moordwijf. U zou haar eens moeten zien.' 'Dat zal ook wel gebeuren. In de getuigenbank.'[9]
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Anagrammen
Typische woordcombinaties
  • de moord op <slachtoffer>
  • een moord begaan
  • een moord plegen
Uitdrukkingen en gezegden
  • [1] een moord doen voor
    heel erg begeren
  • [2] moord en doodslag komen van
    grote problemen veroorzaken, grote ruzie veroorzaken
  • [1] moord en brand schreeuwen
    grote verontwaardiging laten blijken
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
moorden

moord

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van moorden
    • Ik moord. 
  2. gebiedende wijs van moorden
    • Moord! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van moorden
    • Moord je? 

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[10]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. Oudnederlands Woordenboek
  3. moord op website: Etymologiebank.nl
  4. Bronlink geraadpleegd op 1 augustus 2023 Weblink bron
    E. de Jongh
    “Tot lering en vermaak. Betekenissen van Hollandse genrevoorstellingen uit de zeventiende eeuw.” (1976), Rijksmuseum, Amsterdam, p. 173
  5. “Gerede Twijfel - De Maastrichtse martelmoord” (14 juni 2023) op nrc.nl
  6. Bronlink geraadpleegd op 1 augustus 2023 Weblink bron
    Wouter van Loon
    “Wel dood, geen moord” (12 maart 2016) op nrc.nl
  7. Bronlink Weblink bron
    Hella S. Haasse
    “Kleren maken de vrouw” (2013), Singel Uitgeverijen, ISBN 9789021446547, p. 12
  8. Bronlink Weblink bron “De verdwaalde carnavalsvierder” (2013), Meulenhoff Boekerij op Wikipedia, ISBN 9789402300444, p. 99
  9. Bronlink Weblink bron “De jury” (2015), A.W. Bruna Uitgevers op Wikipedia, ISBN 9789044974140, p. 233
  10. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be