droom

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

De droom van Jacob: de ladder naar de hemel waarop engelen naar boven en naar beneden klommen
Uitspraak
Woordafbreking
  • droom
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘voorstelling in de slaap’ voor het eerst aangetroffen in 1240 [1]
  • [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord droom dromen
verkleinwoord droompje droompjes

Zelfstandig naamwoord

droom m

  1. beelden die men ziet wanneer men slaapt
    • Hij had een enge droom over draken en reuzen. 
  2. (figuurlijk) beelden die niet op waarheid berusten
     Hier was de tijd blijven zweven in melancholie en heimwee naar de droom van een schaduw van een rinkelend verleden.[3]
  3. een gedachte waarvan met graag had gehad dat ze werkelijkheid werd
    • Het hebben van een Porche was altijd haar grote droom geweest. 
     Hier was de tijd blijven zweven in melancholie en heimwee naar de droom van een schaduw van een rinkelend verleden.[3]
Anagrammen
Uitdrukkingen en gezegden
  • zijn droom waarmaken
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
dromen

droom

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van dromen
    • Ik droom. 
  2. gebiedende wijs van dromen
    • Droom! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van dromen
    • Droom je? 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen


Middelnederlands

Zelfstandig naamwoord

droom

  1. droom