majeur

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ma·jeur
Woordherkomst en -opbouw
  • Van het Latijnse “maior” via Frans “majeur” (groter, grootste)
stellend
onverbogen majeur
verbogen majeure
partitief majeurs

Bijvoeglijk naamwoord

majeur

  1. (muziek) een toonsoort met een opgeruimd karakter
    • Na deze ernstige passage, eindigt het stuk in majeur. 
  2. (muziek) “groot” in de benaming van bepaalde intervallen, akkoorden en toonladders; wordt vaak genoemd in combinatie met het terts-interval
    • Een terts is een interval dat: “groot” (majeur), “klein” (mineur), “overmatig” of “verminderd” kan zijn. 
    • Een grotetertstoonladder, een majeurtoonladder, heeft als derde toon een “grote terts.” 
    • Een groot akkoord, een majeurakkoord, heeft minimaal het interval “grote terts.” 
Synoniemen
Antoniemen
Verwante begrippen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders
93 % van de Vlamingen.

Meer informatie


Frans

Uitspraak
enkelvoud meervoud
zonder lidwoord met lidwoord zonder lidwoord met lidwoord
  majeur     le majeur     majeurs     les majeurs  

Zelfstandig naamwoord

majeur m

  1. meerderjarige
  2. middelvinger
  3. (muziek) majeurtoonaard, majeurakkoord
Synoniemen
Antoniemen
  enkelvoud meervoud
  mannelijk   majeur majeurs
  vrouwelijk   majeure majeures

Bijvoeglijk naamwoord

majeur

  1. belangrijker, groter, meerderjarig