Naar inhoud springen

major

Uit WikiWoordenboek
Andere schrijfwijzen Niet te verwarren met: majeur, majoor
  • ma·jor
enkelvoud meervoud
naamwoord major majors
verkleinwoord - -

demajorm

  1. de oudere (achter namen om verschillende mensen met dezelfde naam uit elkaar te houden)
  2. (onderwijs) hoofdvak waarin iemand afstudeert
  3. (bedrijfskunde) bedrijf dat door zijn omvang binnen een bedrijfstak toonaangevend is
  4. (logica) hoofdterm, major-term
77 %van de Nederlanders;
81 %van de Vlamingen.[2]


enkelvoud meervoud
major majors

major

  1. (persoon) iemand die meerderjarig is,  meerderjarige zn 
  2. (militair), (beroep) majoor
  3. (onderwijs)  major zn  [1]
  4. (logica) hoofdterm,  major zn  [3], major-term
  5. (logica) majorpremisse
  6. (muziek)  majeur zn 
stellend vergrotend overtreffend
majormore majormost major

major

  1. belangrijkste, voornaamste, hoofd-
  2. ernstig, ingrijpend en/of met verregaande gevolgen
  3. meerderjarig
  4. (logica) major-
  5. (logica) met major-term
  6. (muziek) in  majeur zn