loodsen/vervoeging
Uiterlijk
| vervoeging van de bedrijvende vorm van loodsen | |||||||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| onbepaalde wijs | kort | lang | |||||||||
| onvoltooid | tegenwoordig | loodsen | te loodsen | ||||||||
| toekomend | zullen loodsen | te zullen loodsen | |||||||||
| voltooid | tegenwoordig | hebben geloodst | te hebben geloodst | ||||||||
| toekomend | geloodst zullen hebben | geloodst te zullen hebben | |||||||||
| onvoltooid deelwoord | voltooid deelwoord | gebiedende wijs | aanvoegende wijs | ||||||||
| loodsend | geloodst | ev. loods | mv. verouderd loodst | loodse | |||||||
| aantonende wijs | enkelvoud | meervoud | |||||||||
| onvoltooid | eerste | tweede | derde | eerste | tweede | derde | |||||
| ik | jij, je | u | gij, ge | hij, zij, het | wij, we | jullie | zij, ze | ||||
| tegenwoordig (o.t.t.) | loods | loodst | loodst | loodst | loodst | loodsen | loodsen | loodsen | |||
| verleden (o.v.t.) | loodste | loodste | loodste | loodste | loodste | loodsten | loodsten | loodsten | |||
| toekomend (o.t.t.t.) | zal loodsen | zult/zal loodsen | zult/zal loodsen | zult loodsen | zal loodsen | zullen loodsen | zullen loodsen | zullen loodsen | |||
| voorwaardelijk (o.v.t.t.) | zou loodsen | zou loodsen | zou(dt) loodsen | zoudt loodsen | zou loodsen | zouden loodsen | zouden loodsen | zouden loodsen | |||
| voltooid | eerste | tweede | derde | eerste | tweede | derde | |||||
| ik | jij, je | u | gij | hij, zij, het | wij | jullie | zij | ||||
| tegenwoordig (v.t.t.) | heb geloodst | hebt geloodst | hebt/heeft geloodst | hebt geloodst | heeft geloodst | hebben geloodst | hebben geloodst | hebben geloodst | |||
| verleden (v.v.t.) | had geloodst | had geloodst | had geloodst | hadt geloodst | had geloodst | hadden geloodst | hadden geloodst | hadden geloodst | |||
| toekomend (v.t.t.t.) | zal geloodst hebben | zal/zult geloodst hebben | zult/zal geloodst hebben | zult geloodst hebben | zal geloodst hebben | zullen geloodst hebben | zullen geloodst hebben | zullen geloodst hebben | |||
| voorwaardelijk (v.v.t.t.) | zou geloodst hebben | zou geloodst hebben | zou/zoudt geloodst hebben | zoudt geloodst hebben | zou geloodst hebben | zouden geloodst hebben | zouden geloodst hebben | zouden geloodst hebben | |||
| onpersoonlijke lijdende vorm geloodst worden | |||||||||||
| onvoltooid | voltooid | ||||||||||
| tegenwoordig | er wordt geloodst | er is geloodst | |||||||||
| verleden | er werd geloodst | er was geloodst | |||||||||
| toekomend | er zal geloodst worden | er zal geloodst zijn | |||||||||
| voorwaardelijk | er zou geloodst worden | er zou geloodst zijn | |||||||||
| lijdende vorm geloodst worden | |||||||||||
| onbepaalde wijs | kort | lang | |||||||||
| onvoltooid | tegenwoordig | geloodst worden | geloodst te worden | ||||||||
| toekomend | geloodst zullen worden | geloodst te zullen worden | |||||||||
| voltooid | tegenwoordig | geloodst zijn | geloodst te zijn | ||||||||
| toekomend | geloodst zullen zijn | geloodst te zullen zijn | |||||||||
| enkelvoud | meervoud | ||||||||||
| onvoltooid | eerste | tweede | derde | eerste | tweede | derde | |||||
| ik | jij, je | u | gij | hij, zij, het | wij | jullie | zij | ||||
| tegenwoordig (o.t.t.) | word geloodst | wordt geloodst | wordt geloodst | wordt geloodst | wordt geloodst | worden geloodst | worden geloodst | worden geloodst | |||
| verleden (o.v.t.) | werd geloodst | werd geloodst | werd geloodst | werdt geloodst | werd geloodst | werden geloodst | werden geloodst | werden geloodst | |||
| toekomend (o.t.t.t.) | zal geloodst worden | zult geloodst worden | zult geloodst worden | zult geloodst worden | zal geloodst worden | zullen geloodst worden | zullen geloodst worden | zullen geloodst worden | |||
| voorwaardelijk (o.v.t.t.) | zou geloodst worden | zou geloodst worden | zou/zoudt geloodst worden | zoudt geloodst worden | zou geloodst worden | zouden geloodst worden | zouden geloodst worden | zouden geloodst worden | |||
| voltooid | eerste | tweede | derde | eerste | tweede | derde | |||||
| ik | jij, je | u | gij | hij, zij, het | wij | jullie | zij | ||||
| tegenwoordig (v.t.t.) | ben geloodst | bent geloodst | bent/is geloodst | zijt geloodst | is geloodst | zijn geloodst | zijn geloodst | zijn geloodst | |||
| verleden (v.v.t.) | was geloodst | was geloodst | was geloodst | waart geloodst | was geloodst | waren geloodst | waren geloodst | waren geloodst | |||
| toekomend (v.t.t.t.) | zal geloodst zijn | zult geloodst zijn | zult geloodst zijn | zult geloodst zijn | zal geloodst zijn | zullen geloodst zijn | zullen geloodst zijn | zullen geloodst zijn | |||
| voorwaardelijk (v.v.t.t.) | zou geloodst zijn | zou geloodst zijn | zou/zoudt geloodst zijn | zoudt geloodst zijn | zou geloodst zijn | zouden geloodst zijn | zouden geloodst zijn | zouden geloodst zijn | |||