loods

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • loods
enkelvoud meervoud
naamwoord loods loodsen
verkleinwoord loodsje loodsjes

Zelfstandig naamwoord

loods m

  1. een gebouw voor opslag van goederen [1]
  2. (beroep) (scheepvaart) een persoon die schepen begeleidt bij het varen van en naar een haven [2]
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

Werkwoord

vervoeging van
loodsen

loods

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van loodsen
    • Ik loods. 
  2. gebiedende wijs van loodsen
    • Loods! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van loodsen
    • Loods je?