inlelijk

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • in·le·lijk
Woordherkomst en -opbouw
stellend
onverbogen inlelijk
verbogen inlelijke
partitief inlelijks

Bijvoeglijk naamwoord

inlelijk

  1. heel onaantrekkelijk om te zien
    • Beerte, het tweede personage, is evenzeer een komisch type bij uitstek: ze is inlelijk en mager, heeft rode druipogen en grote tanden. [1]
Opmerkingen

Er bestaat geen vergrotende of overtreffende trap, maar er is wel een nog verder versterkte vorm: in- en inlelijk.

Verwante begrippen

Gangbaarheid

41 % van de Nederlanders;
42 % van de Vlamingen.

Verwijzingen