laseren/vervoeging
Uiterlijk
| vervoeging van de bedrijvende vorm van laseren | |||||||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| onbepaalde wijs | kort | lang | |||||||||
| onvoltooid | tegenwoordig | laseren | te laseren | ||||||||
| toekomend | zullen laseren | te zullen laseren | |||||||||
| voltooid | tegenwoordig | hebben gelaserd | te hebben gelaserd | ||||||||
| toekomend | gelaserd zullen hebben | gelaserd te zullen hebben | |||||||||
| onvoltooid deelwoord | voltooid deelwoord | gebiedende wijs | aanvoegende wijs | ||||||||
| laserend | gelaserd | ev. laser | mv. verouderd lasert | lasere | |||||||
| aantonende wijs | enkelvoud | meervoud | |||||||||
| onvoltooid | eerste | tweede | derde | eerste | tweede | derde | |||||
| ik | jij, je | u | gij, ge | hij, zij, het | wij, we | jullie | zij, ze | ||||
| tegenwoordig (o.t.t.) | laser | lasert | lasert | lasert | lasert | laseren | laseren | laseren | |||
| verleden (o.v.t.) | laserde | laserde | laserde | laserde | laserde | laserden | laserden | laserden | |||
| toekomend (o.t.t.t.) | zal laseren | zult/zal laseren | zult/zal laseren | zult laseren | zal laseren | zullen laseren | zullen laseren | zullen laseren | |||
| voorwaardelijk (o.v.t.t.) | zou laseren | zou laseren | zou(dt) laseren | zoudt laseren | zou laseren | zouden laseren | zouden laseren | zouden laseren | |||
| voltooid | eerste | tweede | derde | eerste | tweede | derde | |||||
| ik | jij, je | u | gij | hij, zij, het | wij | jullie | zij | ||||
| tegenwoordig (v.t.t.) | heb gelaserd | hebt gelaserd | hebt/heeft gelaserd | hebt gelaserd | heeft gelaserd | hebben gelaserd | hebben gelaserd | hebben gelaserd | |||
| verleden (v.v.t.) | had gelaserd | had gelaserd | had gelaserd | hadt gelaserd | had gelaserd | hadden gelaserd | hadden gelaserd | hadden gelaserd | |||
| toekomend (v.t.t.t.) | zal gelaserd hebben | zal/zult gelaserd hebben | zult/zal gelaserd hebben | zult gelaserd hebben | zal gelaserd hebben | zullen gelaserd hebben | zullen gelaserd hebben | zullen gelaserd hebben | |||
| voorwaardelijk (v.v.t.t.) | zou gelaserd hebben | zou gelaserd hebben | zou/zoudt gelaserd hebben | zoudt gelaserd hebben | zou gelaserd hebben | zouden gelaserd hebben | zouden gelaserd hebben | zouden gelaserd hebben | |||
| onpersoonlijke lijdende vorm gelaserd worden | |||||||||||
| onvoltooid | voltooid | ||||||||||
| tegenwoordig | er wordt gelaserd | er is gelaserd | |||||||||
| verleden | er werd gelaserd | er was gelaserd | |||||||||
| toekomend | er zal gelaserd worden | er zal gelaserd zijn | |||||||||
| voorwaardelijk | er zou gelaserd worden | er zou gelaserd zijn | |||||||||
| lijdende vorm gelaserd worden | |||||||||||
| onbepaalde wijs | kort | lang | |||||||||
| onvoltooid | tegenwoordig | gelaserd worden | gelaserd te worden | ||||||||
| toekomend | gelaserd zullen worden | gelaserd te zullen worden | |||||||||
| voltooid | tegenwoordig | gelaserd zijn | gelaserd te zijn | ||||||||
| toekomend | gelaserd zullen zijn | gelaserd te zullen zijn | |||||||||
| enkelvoud | meervoud | ||||||||||
| onvoltooid | eerste | tweede | derde | eerste | tweede | derde | |||||
| ik | jij, je | u | gij | hij, zij, het | wij | jullie | zij | ||||
| tegenwoordig (o.t.t.) | word gelaserd | wordt gelaserd | wordt gelaserd | wordt gelaserd | wordt gelaserd | worden gelaserd | worden gelaserd | worden gelaserd | |||
| verleden (o.v.t.) | werd gelaserd | werd gelaserd | werd gelaserd | werdt gelaserd | werd gelaserd | werden gelaserd | werden gelaserd | werden gelaserd | |||
| toekomend (o.t.t.t.) | zal gelaserd worden | zult gelaserd worden | zult gelaserd worden | zult gelaserd worden | zal gelaserd worden | zullen gelaserd worden | zullen gelaserd worden | zullen gelaserd worden | |||
| voorwaardelijk (o.v.t.t.) | zou gelaserd worden | zou gelaserd worden | zou/zoudt gelaserd worden | zoudt gelaserd worden | zou gelaserd worden | zouden gelaserd worden | zouden gelaserd worden | zouden gelaserd worden | |||
| voltooid | eerste | tweede | derde | eerste | tweede | derde | |||||
| ik | jij, je | u | gij | hij, zij, het | wij | jullie | zij | ||||
| tegenwoordig (v.t.t.) | ben gelaserd | bent gelaserd | bent/is gelaserd | zijt gelaserd | is gelaserd | zijn gelaserd | zijn gelaserd | zijn gelaserd | |||
| verleden (v.v.t.) | was gelaserd | was gelaserd | was gelaserd | waart gelaserd | was gelaserd | waren gelaserd | waren gelaserd | waren gelaserd | |||
| toekomend (v.t.t.t.) | zal gelaserd zijn | zult gelaserd zijn | zult gelaserd zijn | zult gelaserd zijn | zal gelaserd zijn | zullen gelaserd zijn | zullen gelaserd zijn | zullen gelaserd zijn | |||
| voorwaardelijk (v.v.t.t.) | zou gelaserd zijn | zou gelaserd zijn | zou/zoudt gelaserd zijn | zoudt gelaserd zijn | zou gelaserd zijn | zouden gelaserd zijn | zouden gelaserd zijn | zouden gelaserd zijn | |||