klepper

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
De klepperman verdwijnt.

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • klep·per
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord klepper kleppers
verkleinwoord kleppertje kleppertjes

Zelfstandig naamwoord

klepper m [3] [4] [5]

  1. (beroep) (geschiedenis) nachtwaker, die regelmatig zijn ronden liep en een klepper had om te waarschuwen, een klepperman
  2. iets dat of waarmee men een kleppend geluid kan maken
  3. rijpaard, draver
  4. (schoeisel) houten sandaal
Hyponiemen
Afgeleide begrippen

Werkwoord

vervoeging van
klepperen

klepper

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van klepperen
    • Ik klepper. 
  2. gebiedende wijs van klepperen
    • Klepper! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van klepperen
    • Klepper je? 

Gangbaarheid

92 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen