kif

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Cannabis sativa
Uitspraak
Woordafbreking
  • kif
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Arabisch, in de betekenis van ‘hasjiesj’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1961 [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord kif -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

kif v / m

  1. (plantkunde), (medisch) wordt gemaakt van de bloemtoppen of zaaddoosjes van de vrouwelijke, onbevruchte hennepplant Cannabis sativa op Wikispecies (variëteit indica) dat een hoog gehalte van de stof THC bevat en kan worden gebruikt als medicijn of genotmiddel
Synoniemen
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

52 % van de Nederlanders;
57 % van de Vlamingen.

Verwijzingen


Frans

Uitspraak

Zelfstandig naamwoord

kif m

  1. (spreektaal) stickie, joint [1]
  2. (spreektaal) passie, fantasie, plezier
    «La moto, c’est son kif à Patou.»
    Motorrijden is Patou's passie. [1]
  3. (spreektaal) verlangen
    «Il a le kif d’acheter une Merco.»
    Hij droomt ervan een Mercedes te kopen. [1]

Verwijzingen