ketel

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ke·tel
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘vat’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1240 [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord ketel ketels
verkleinwoord keteltje keteltjes

Zelfstandig naamwoord

ketel m

  1. een meestal rond metalen vat, vaak geschikt om onder druk gezet te worden
    • Zonder ketels zouden de stoommachine en de Industriële Revolutie niet mogelijk geweest zijn. 
  2. (huishouden) (kookkunst) object om water aan de kook te brengen b.v. een fluitketel, waterketel
  3. (aardrijkskunde) keteldal
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen