frietketel

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • friet·ke·tel
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord frietketel frietketels
verkleinwoord frietketeltje frietketeltjes

Zelfstandig naamwoord

frietketel m

  1. (huishouden) het vat met vet waar de frieten in worden gefrituurd
Verwante begrippen

Gangbaarheid

63 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.