Naar inhoud springen

kabaal

Uit WikiWoordenboek
  • ka·baal
enkelvoud meervoud
naamwoord kabaal
verkleinwoord

het kabaalo

  1. zeer luide verstoring van rust en orde
    Soms wordt vooral gedoeld op geluid met een hoog volume, soms juist om ernstig verstoorde verhoudingen zonder dat het letterlijk om het volume van geluid gaat, maar deze beide aspecten laten zich vaak ook niet onderscheiden.
     De rolluiken zijn weer omhoog, de straten vol mensen op weg ergens naartoe, overal getoeter op drukke kruispunten, het onophoudelijke kabaal van een metropool.[5]
     Ook op persoonlijk niveau baart het me zorgen: wij lijken nu rijke villabewoners die tegen de komst van statushouders zijn. In werkelijkheid is er een klein groepje bewoners met die opvatting, dat gewoon erg veel kabaal maakt.[6]
     
    —De Vrouw.
    Luiaard, dronkaard, deugeniet,
    Man wat heb ik een verdriet,
    Mijnheer die leeft naar zijn behagen,
    En alles door het keelgat jagen
    Krijgt de schurk niet opgedischt,
    Dan krijg ik slaag dat is gewis.
    Geloof het mij, geloof het mij,
    Niemand weet wat ik van u lij.
    —De Man.
    Altemaal leugens, praatjes, lastertaal,
    wijf! wat maakt gij een kabaal,
    Het wordt alles op de man geschoven,
    Men zou maar al die vrouwen gelooven.
    [7]
  • cabaal (officiële spelling tot 1955 in Vlaanderen en tot 1955 in Nederland)
enkelvoud meervoud
naamwoord kabaal kabalen
verkleinwoord

Niet in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Taalunie als vrouwelijk zelfstandig naamwoord.

de kabaalv *

  1. (pejoratief) (verouderd) mensen die stiekem samenwerken ten nadele van anderen
     Het afleggen van een eed dwingt iemand niet tot het verloochenen van een alliantie met kwaadaardigheid dan wel met een mogelijke kabaal.[8]
      Vooreerst: dat dit schandaal òf nooit gebeurd òf voorzeker in de beginselen gesmoord zoude zijn, wanneer van Haren's vriend Willem IV of diens weduwe, de Prinses-gouvernante, nog geleefd had. Bij beiden toch stond hij in zoo onverdeelde gunst, dat geen samenspanning of kabaal van wie ook hem zou hebben kunnen deren.[9]
  2. (pejoratief) (verouderd) religieuze of politieke groep gelijkgezinden
     Falck zou zijn latere leven in Azië steeds zijn grote vertrouwen in prins Willem V uitspreken en hem steunen. Dat gold niet voor de kabaal van de Prins en adviseurs aan het Hof.[10]
      Toen maakten de Vyanden van Jansenius dat het zoo besteken wierd, dat de Byzitter of Assessor Albizzidie geen lit van deezen Raadt was, en zeer krachtig tegen dien Bisschop was ingenomen, in de Vergadering wierd toegelaaten, om zyne Stem by de Kabaal der Molinisten te voegen.[11]
  • Door verwarring met de betekenis "rumoer" soms ook als onzijdig woord gebruikt.
  • cabaal (officiële spelling van 1864 tot 1955 in Vlaanderen en 1883 tot 1955 in Nederland)
  • cabael (officiële spelling in Vlaanderen van 1844 tot 1864)
100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[12]
  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. kabaal op website: Etymologiebank.nl
  3. Stichting Hebreeuwse en Jiddisje woorden in het Nederlands
  4. Middelnederlandsch Woordenboek
  5. Bronlink geraadpleegd op 5 oktober 2021 Weblink bron
    Bas Heijne
    “Hoe voelde die leegte ook al weer?” (5 juni 2021) op nrc.nl op Wikipedia
  6. Bronlink geraadpleegd op 5 oktober 2021 Weblink bron
    Juliët Boogaard
    “‘Statushouders wel welkom in villawijk’” (5 mei 2021) op nrc.nl op Wikipedia
  7. Bronlink geraadpleegd op 5 oktober 2021 Weblink bron De Zamenspraak van Poppe Neeltje met haren man Keesje Zwerenberg. in: Een nieuw lied (circa 1810n), p. 5 /6
  8. Bronlink geraadpleegd op 5 oktober 2021 Weblink bron
    Arno van Harskamp
    “De Vraag der Moraliteit” op absoluteduality.com
  9. Bronlink geraadpleegd op 5 oktober 2021 Weblink bron
    A.W. Engelen
    “Uit de gedenkschriften van een voornaam Nederlandsch beambte.” (1882), H.C.A. Campagne & zoon, Tiel, p. 16 op Digitale Bibliotheek voor de Nederlandse Letteren op Wikipedia
  10. Bronlink geraadpleegd op 5 oktober 2021 Weblink bron
    Dulm, F. van der
    “'Zonder eigen gewinne en glorie' : Mr. Iman Wilhelm Falck (1736-1785), gouverneur en directeur van Ceylon en

    Onderhorigheden” (9 februari 2012), Uitgeverij Verloren, Hilversum, ISBN 9789087042738, p. 67

  11. Bronlink geraadpleegd op 5 oktober 2021 Weblink bron
    Bernard Picart (vert. Abraham Moubach)
    “Naaukeurige beschryving der uitwendige godtsdienst-plichten, kerk-zeden en gewoontens van alle volkeren der waereldt. Deel 1.” (1727), Rutgert Christoffel Alberts, Den Haag / Hermanus Uytwerf, Amsterdam / Jan Daniel Beman, Rotterdam, p. 223 n. e
  12. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be


kabaal

  1. kabaal; lawaai, herrie


kabaal

  1. kabaal; lawaai, herrie