rumoer

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ru·moer
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord rumoer rumoeren
verkleinwoord rumoertje rumoertjes

Zelfstandig naamwoord

rumoer o

  1. lawaai, onrust, ophef, tumult, geraas, spektakel
Verwante begrippen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
rumoeren

rumoer

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van rumoeren
    Ik rumoer.
  2. gebiedende wijs van rumoeren
    Rumoer!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van rumoeren
    Rumoer je?
Verwijzingen
  1. etymologiebank.nl