rumoer

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ru·moer
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord rumoer rumoeren
verkleinwoord rumoertje rumoertjes

Zelfstandig naamwoord

rumoer o

  1. lawaai, onrust, ophef, tumult, geraas, spektakel
Verwante begrippen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
rumoeren

rumoer

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van rumoeren
    • Ik rumoer. 
  2. gebiedende wijs van rumoeren
    • Rumoer! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van rumoeren
    • Rumoer je? 

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders
97 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. etymologiebank.nl