rumoer

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ru·moer
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘lawaai’ voor het eerst aangetroffen in 1380 [1] [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord rumoer rumoeren
verkleinwoord rumoertje rumoertjes

Zelfstandig naamwoord

rumoer o

  1. lawaai, onrust, ophef, tumult, geraas, spektakel
Verwante begrippen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
rumoeren

rumoer

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van rumoeren
    • Ik rumoer. 
  2. gebiedende wijs van rumoeren
    • Rumoer! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van rumoeren
    • Rumoer je? 

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
97 % van de Vlamingen.

Verwijzingen