kliek

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Jump to search

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • kliek
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘voedselrest’ voor het eerst aangetroffen in 1676 [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord kliek klieken
verkleinwoord kliekje kliekjes

Zelfstandig naamwoord

kliek v/m

  1. groep van mensen die veel samen doen en andere mensen buiten de groep houden
    • De directeuren van scholen vormen een echte kliek die veel dingen onderling regelen.  

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders
96 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Werkwoord

vervoeging van
klieken

kliek

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van klieken
    • Ik kliek. 
  2. gebiedende wijs van klieken
    • Kliek! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van klieken
    • Kliek je? 

Verwijzingen