kliek

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • kliek
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord kliek klieken
verkleinwoord kliekje kliekjes

Zelfstandig naamwoord

kliek v/m

  1. groep van mensen die veel samen doen en andere mensen buiten de groep houden
    • De directeuren van scholen vormen een echte kliek die veel dingen onderling regelen.  

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders
96 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Werkwoord

vervoeging van
klieken

kliek

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van klieken
    • Ik kliek. 
  2. gebiedende wijs van klieken
    • Kliek! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van klieken
    • Kliek je?