doelwit

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • doel·wit
enkelvoud meervoud
naamwoord doelwit doelwitten
verkleinwoord doelwitje doelwitjes

Zelfstandig naamwoord

doelwit o

  1. het punt waarop men zijn schiettuig richt
    Het schot ging net naast het doelwit.
  2. meer figuurlijk: het punt waarop men iets richt
    Hij was altijd het doelwit van pesterijen.
Synoniemen
Vertalingen