hinder

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • hin·der
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘overlast’ voor het eerst aangetroffen in 1297 [1]
  • [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord hinder
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

hinder m

  1. last, ongemak: Wegenwerken veroorzaken meestal hinder voor de omwonenden.
Verwante begrippen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
hinderen

hinder

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van hinderen
    • Ik hinder. 
  2. gebiedende wijs van hinderen
    • Hinder! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van hinderen
    • Hinder je? 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

Meer informatie