hagedis

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Jump to search

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ha·ge·dis
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘hagedisachtige’ voor het eerst aangetroffen in 1301 [1]
  • (erfwoord) Uit Middelnederlands egedisse, haghedisse, uit West-Germaans *agwi-þehsō(n) of *-þahs(i)jō(n), samenstelling van *agwi- ‘hagedis, slang’ +‎ *þahsiō ‘bijl’ (vgl. Oudengels þeox ‘speer’, Duits Dechse ‘bijl, dissel’), uit Indo-Europees *h₁ógʷʰis- ‘slang’ + *teḱs- ‘houwen’. Evenals Nederduits Eevtask(e), Duits Eidechse en Oudengels āþexe.
enkelvoud meervoud
naamwoord hagedis hagedissen
verkleinwoord hagedisje hagedisjes

Zelfstandig naamwoord

hagedis v

  1. (reptielen) een langstaartig, geschubd reptiel uit de onderorde Lacertilia (Sauria)
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen