Naar inhoud springen

dissel

Uit WikiWoordenboek
dissel als tweespan
  • dis·sel
  • [1-2] In de betekenis van ‘disselboom’ voor het eerst aangetroffen in 1460.[1]
  • erfwoord: Middelnederlands diesele, ontwikkeld uit Oergermaans *þīhslō-, door compensatierekking uit *þinhslō-, dat verwant aan Latijn tēmō ‘disselboom’ en Oudprussisch teansis ‘disselboom’ is.[2][3] Evenzo Nederduits Diessel, Duits Deichsel, Fries tiksel en Zweeds tistel.
  • [3] erfwoord: Middelnederlands diessel, ontwikkeld uit Oergermaans *þehsalōn, dat teruggaat op Indo-Europees *teks-l(e)h₂- ‘bijl’, waartoe ook Oudiers tál ‘bijl’, Latijn tēlum ‘werpspies’, Russisch teslá ‘bijl’ en Avestisch taša- ‘bijl’ behoren.[4] Evenals Nederduits Dessel, Düssel, Duits dial. Dechsel en Zweeds dial. täxla.
enkelvoud meervoud
naamwoord dissel dissels
verkleinwoord disseltje disseltjes

dedisselm

  1. een houten of metalen stang voor een voertuig aan weerszijden waarvan trekdieren ingespannen kunnen worden
    • Aan de dissel werden twee trekpaarden vastgemaakt. 
  2. een stang of buis waarmee een aanhangwagen aan een auto of vrachtwagen bevestigd kan worden
    • Als de aanhangwagen slechts één as heeft is de dissel vast bevestigd aan de aanhanger. 
  3. een houtbewerkingsgereedschap om b.v. een waterbak uit te hakken uit een boomstam (drinkbak in de alpen)
77 %van de Nederlanders;
70 %van de Vlamingen.[5]
  • Zie de doorverwijspagina op Wikipedia voor meer informatie.