hacker

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • hac·ker
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord hacker hackers
verkleinwoord hackertje hackertjes

Zelfstandig naamwoord

hacker m

  1. (informatica) iemand die zich onbevoegd toegang verschaft tot een computersysteem
    • Een hacker zou de beveiliging van de computersystemen hebben gekraakt. 
  2. (informatica) iemand die geniet van de intellectuele uitdaging om op een creatieve, onorthodoxe manier aan technische beperkingen te ontsnappen
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen


Frans

Uitspraak
enkelvoud meervoud
zonder lidwoord met lidwoord zonder lidwoord met lidwoord
  hacker     le hacker     hackers     les hackers  

Zelfstandig naamwoord

hacker m

  1. (informatica) hacker