hack

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • hack
enkelvoud meervoud
naamwoord hack hacks
verkleinwoord - -
Woordherkomst en -opbouw

Zelfstandig naamwoord

hack m

  1. (informatica) het kraken van een computer
    • "Hack openbaart werk van bedrijf dat voor Russische geheime dienst werkt"
      De hack vond plaats op 13 juli, waarna informatie uit documenten, projecten en personeel van SyTech op internet werd geplaatst en naar media werd gestuurd. [2]
       
Hyponiemen
Afgeleide begrippen

Werkwoord

vervoeging van
hacken

hack

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van hacken
    • Ik hack. 
  2. gebiedende wijs van hacken
    • Hack! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van hacken
    • Hack je? 

Meer informatie

Gangbaarheid

Verwijzingen