hack

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • hack

Werkwoord

vervoeging van
hacken

hack

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van hacken
    • Ik hack. 
  2. gebiedende wijs van hacken
    • Hack! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van hacken
    • Hack je? 

Gangbaarheid