giro

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • gi·ro
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Duits of Italiaans, in de betekenis van ‘overschrijving’ voor het eerst aangetroffen in 1734 [1]
  • [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord giro giro's
verkleinwoord girootje girootjes

Zelfstandig naamwoord

giro m

  1. (financieel), (economie) betaalsysteem vergelijkbaar met een bank
  2. de wielerronde van Italië
Hyponiemen
Afgeleide begrippen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
88 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen


Spaans

Werkwoord

vervoeging van
girar

giro

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd (presente) van girar