wissel

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • wis·sel
enkelvoud meervoud
naamwoord wissel wissels
verkleinwoord wisseltje wisseltjes

Zelfstandig naamwoord

wissel m/o

  1. (het, de) speciale constructie in een spoorweg om een trein, metro of tram naar een ander spoor te leiden
  2. (de) (economie) bankdocument gebruikt voor betalingsverkeer
  3. (de) vervanging van een sporter door een teamgenoot
  4. (de) pad op een vaste route van wild
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
wisselen

wissel

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van wisselen
    Ik wissel.
  2. gebiedende wijs van wisselen
    Wissel!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van wisselen
    Wissel je?

Meer informatie