Naar inhoud springen

gretig

Uit WikiWoordenboek
  • gre·tig
  • In de betekenis van ‘begerig’ voor het eerst aangetroffen in 1573 [1]
  • Afkomstig van het Vroegnieuwnederlandse zelfstandige naamwoord grete (= begerigheid) met het achtervoegsel -ig.
stellendvergrotendovertreffend
onverbogen gretiggretigergretigst
verbogen gretigegretigeregretigste
partitief gretigsgretigers-

gretig

  1. reikhalzend uitziend naar iets, gespitst op iets, happig op iets
     ' De jongen die net de beurt had — Vincent — steekt gretig zijn vinger de lucht in.[2]
    • Zijn gretige reactie hierop verbaasde velen. 
     Goud- en zilverprijzen, schilderijen als betaalmiddel, de slordigheid van sommige inpakkers die zijn handelswaar vanuit Batavia verschepen - Maren geniet veel meer van haar broers nieuwtjes dan van de haring en trekt de woorden gretig uit zijn mond.[3]
  • gretig aftrek vinden
goed verkocht worden
 In Frankrijk vonden wielertijdschriften als Le Monde Cycliste maar ook het algemenere La Gazette des Sports gretig aftrek vanaf de jaren 1880.[4]

gretig

  1. op een wijze die van grote honger of dorst blijk geeft
99 %van de Nederlanders;
97 %van de Vlamingen.[5]