inhalig

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • in·ha·lig
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen inhalig inhaliger inhaligst
verbogen inhalige inhaligere inhaligste
partitief inhaligs inhaligers -

Bijvoeglijk naamwoord

inhalig

  1. van een persoon dat hij veel dingen pakt om in bezit te nemen
    • De inhalige bankier had aan een meer dan gewone bonus niet genoeg. 
  2. gierig wel kunnen pakken maar niet kunnen geven
    • De inhalige man kon zijn bezit niet delen. 

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
94 % van de Vlamingen.